Toen ik mijn eerste elektrische auto ophaalde, dacht ik dat de laadkabel wel een detail zou zijn. Dat viel tegen. De kabel die erbij zat paste wel op mijn auto, maar was te kort voor de laadpaal in mijn straat en laadde langzamer dan de auto eigenlijk aankon. Na een half jaar had ik alsnog een nieuwe. Dat had ik me kunnen besparen met een kwartiertje uitzoekwerk vooraf.
Dit artikel helpt je die fout te voorkomen. Je loopt hieronder langs de vijf vragen die bepalen welke kabel je nodig hebt:
- Welke aansluiting heeft jouw auto: type 1 of type 2?
- Laad je vooral aan een laadpaal of aan een stopcontact?
- Hoeveel vermogen kan je auto op wisselstroom verwerken?
- Welke lengte heb je in de praktijk nodig?
- Waar herken je een goede kabel aan?
Aan het eind weet je precies wat je moet bestellen.
Stap 1: begin bij de aansluiting van je auto
In Nederland kom je twee aansluitingen tegen op de auto zelf: type 1 en type 2. Welke jij hebt, bepaalt meteen de helft van je keuze.
Type 2 is de Europese standaard
Vrijwel elke elektrische auto die de laatste jaren in Europa is verkocht heeft een type 2-aansluiting. Die stekker is vastgelegd in de norm IEC 62196-2 en je vindt hem op iedere openbare laadpaal en wallbox in Nederland en de rest van Europa. Rijd je een model van na ongeveer 2018, dan is de kans heel groot dat je hier zit.
Type 1 zie je nog bij oudere modellen
Type 1 komt oorspronkelijk uit Japan en de Verenigde Staten en werkt altijd op één fase. Je komt hem tegen bij oudere auto’s zoals de eerste Nissan Leaf, de Mitsubishi Outlander PHEV en de Peugeot iOn. De laadpaal blijft ook dan gewoon type 2, dus je hebt een kabel nodig met type 2 aan de paalzijde en type 1 aan de autozijde.
Weet je het niet zeker? Kijk in je laadklep of in het instructieboekje. Een type 2-stekker is rond met een afgeplatte bovenkant en heeft zeven contacten. Type 1 heeft er vijf en een klemhendeltje bovenop.
Stap 2: laad je aan een laadpaal of aan een stopcontact?
De tweede vraag gaat over de plek waar je de stroom vandaan haalt. Daar horen twee verschillende soorten kabels bij.
Mode 3: de losse kabel voor laadpaal en wallbox
Dit is de kabel die de meeste mensen bedoelen als ze het over een laadkabel hebben. Een losse kabel met aan beide kanten een stekker: type 2 richting de paal en type 2 of type 1 richting je auto. Tijdens het laden communiceren de auto en de laadpaal met elkaar en spreken ze af hoeveel stroom er mag lopen. Die communicatie is vastgelegd in IEC 61851. Voor dagelijks gebruik thuis en onderweg is dit de standaardoplossing.
Mode 2: de mobiele lader voor het stopcontact
Heb je geen laadpaal of wallbox, dan laad je met een mobiele lader op een gewoon stopcontact of op krachtstroom. In zo’n kabel zit een kastje dat de stroom regelt en bewaakt, de IC-CPD. Dat kastje meet onder meer de temperatuur en schakelt uit zodra er iets niet klopt. Op een gewoon stopcontact laad je hiermee rustig, rond de 2,3 kW. Prima als noodoplossing, bij familie of op vakantie, maar te traag als je elke dag veel kilometers maakt.
Veel EV-rijders hebben er uiteindelijk allebei één: een mode 3-kabel voor dagelijks gebruik en een mobiele lader achterin voor onderweg.
Stap 3: kijk hoeveel vermogen je auto aankan
Hier ging ik zelf de mist in. Ik dacht: hoe zwaarder de kabel, hoe sneller ik laad. Zo werkt het niet.
Je laadsnelheid wordt bepaald door de zwakste schakel in de keten, en dat is meestal niet de kabel maar de boordlader van je auto. Kan die maximaal 11 kW verwerken, dan laadt hij met een 22 kW-kabel geen minuut sneller. Andersom telt het wel: heeft je auto een boordlader van 11 kW en koop je een kabel van 3,7 kW, dan laad je onnodig langzaam.
Zoek dus eerst op hoeveel kilowatt je auto op wisselstroom aankan. Dat staat in de specificaties of in het instructieboekje. Daarna kies je het aantal fasen en de stroomsterkte die daarbij horen.
| Aansluiting | Stroomsterkte | Laadvermogen |
|---|---|---|
| 1 fase | 16 A | 3,7 kW |
| 1 fase | 32 A | 7,4 kW |
| 3 fasen | 16 A | 11 kW |
| 3 fasen | 32 A | 22 kW |
Laadvermogen per combinatie van fasen en stroomsterkte.
Een 3-fase kabel werkt gewoon op een 1-fase aansluiting; hij laadt dan simpelweg met minder vermogen. Andersom kan niet. Twijfel je, dan is een 3-fase kabel meestal de verstandigste keuze, ook omdat je hem kunt blijven gebruiken als je later een andere auto rijdt.
Stap 4: neem liever een meter extra
Standaard krijg je vaak een kabel van vijf meter. Dat is genoeg als je netjes voor de paal staat met de laadpoort aan de juiste kant. In de praktijk is dat lang niet altijd zo. Een paal die twee vakken verderop staat, een parkeervak waar je achteruit in moet of een laadpoort aan de verkeerde kant van de auto: dan kom je met vijf meter niet uit.
Zeven of tien meter geeft veel meer speling. Het nadeel is dat een langere kabel zwaarder is en meer ruimte inneemt. Een spiraalkabel is een tussenoplossing, want die rolt compact op, maar houd er rekening mee dat hij uitgerold korter is dan hij lijkt.
Eén ding is belangrijker dan de lengte zelf: verleng een laadkabel nooit met een verlengsnoer en koppel nooit twee kabels aan elkaar. De beveiliging en de communicatie tussen auto en laadpaal werken dan niet meer zoals het hoort, met kans op oververhitting. Kom je structureel niet uit, koop dan gewoon een langere gecertificeerde kabel. Dat is de enige veilige oplossing.
Stap 5: let op de kwaliteit
Een laadkabel ziet er van buiten simpel uit, maar er gaat behoorlijk wat stroom doorheen en hij ligt het halve jaar buiten in weer en wind. Let daarom op een paar dingen:
- Certificering. CE en TÜV zijn het minimum. Zonder keurmerk weet je niet wat je koopt.
- Koperen geleiders met de juiste doorsnede. Bij 32 A op drie fasen hoort bijvoorbeeld 6 mm². Te dun koper betekent spanningsverlies en warmteontwikkeling.
- Stevige stekkers, het liefst uit één stuk gemaakt. Daar zit de meeste slijtage, zeker als je hem dagelijks in en uit trekt.
- Een mantel die tegen kou, hitte en uv-straling kan.
- Garantie. Drie jaar garantie zegt iets over hoe de fabrikant zelf naar zijn product kijkt.
Laadkabel type 2 is verkrijgbaar in lengtes van 2 tot 40 meter, recht of als spiraal en in een 1-fase of 3-fase uitvoering. Er is dus altijd wel een variant die bij jouw auto en jouw parkeerplek past.
Kort samengevat
- Kijk welke aansluiting je auto heeft: type 1 of type 2.
- Bepaal waar je het vaakst laadt: aan een laadpaal (mode 3) of aan een stopcontact (mobiele lader, mode 2).
- Zoek op hoeveel kilowatt je auto op wisselstroom aankan en kies daar het aantal fasen en de stroomsterkte bij.
- Meet de afstand tot de laadpaal en neem liever een meter extra.
- Controleer certificering, kabeldoorsnede en garantie.
Doe je dit één keer goed, dan heb je er jaren geen omkijken meer naar. En je bespaart jezelf de aankoop die ik wel deed: een tweede kabel, omdat de eerste net niet paste.


